De methode beeldend

De uitgever van Thieme Meulenhoff had mij zien lesgeven. Een volle collegezaal waar ik een college gaf van twee uur over achtergronden, principes  en mooi beeldend onderwijs op de basisschool.  Het ging over de noodzaak van verbeelden, het ging over waarnemen, het ging over welke kunst geschikt is voor welke leerling (Michael Parsons), het ging over context, over doelen, over organisatie, hoe betekenisvol les te geven, hoe ...

De methode 'Moet je doen' beeldend  moest herzien worden. Ik kreeg de opdracht als projectleider. Met Paul van Smalen (groepsleerkracht basisonderwijs), Meindert Keuning (groepsleerkracht basisonderwijs en tekenaar), Noëlle Joosen (groepsleerkracht basisonderwijs),Patricia van Dijk (kunsthistorica en groepsleerkracht basisonderwijs), Rolanda van Baaren (vakleerkracht beeldend basisonderwijs), Gera Woltjer (docent beeldend pabo), Martin Hunziker (docent Nederlands pabo) en ik  (docent beeldend pabo) herzagen we de methode niet; we herschreven.

We herschreven vanuit de principes en uitgangspunten die later in het boek 'Kunstmeester!' terecht kwamen. Principes  en uitgangspunten waar ik toen alleen nog les over gaf. Er zijn meerdere uitgangspunten: de kerndoelen, ontwikkeling van kinderen en kinderen zijn de start…

Kerndoelen: 1. Het gaat over hoe kinderen tot verbeelden aan te zetten. 2. Kennismaken met kunst en cultuur: Kunst is een middel om de ontwikkeling van kinderen te ondersteunen en te verdiepen. (De pedagogische visie op kunstonderwijs op de basisschool) 3. Leren reflecteren op eigen en andermans werk.

Ontwikkeling van kinderen: een kleuter kijkt anders naar de wereld  en dus naar kunst dan kinderen van groep acht. Michael Parsons heeft daar uitgebreid onderzoek naar gedaan en onderscheid  verschillende fases. De fases liggen niet vast, zijn afhankelijk van milieu, interesses, opvoeding en onderwijs. De fases geven  alleen houvast  en de leerkracht zal zelf heel goed het niveau moeten onderzoeken. Dat onderzoek is niet zo moeilijk. Kijk naar de tekeningen van de leerlingen. 1. de associatieve fase; kleuters maken overal hun verhaal bij… 2. Schematisch realisme: een V is een vogel, een vierkant met driehoek een huis… schema’s  zijn een noodzakelijke stap in de ontwikkeling. 3. Prettig realisme: In de bovenbouw van de basisschool  willen kinderen mooi tekenen, ambachtelijk mooi, knap gedaan. De leerlingen vragen hier technische instructie… hoe teken ik.. 4. Bij pubers gaat het over loskomen van de ouders, het milieu… emoties zijn drijfveer… 5. Kunstenaars maken, reageren op de zichzelf  en de wereld. 6. de hoogleraar die denkt te snappen hoe de kunstwereld in elkaar zit.

leerlijnen liggen niet vast; ik spreek liever van leerlandschappen. Je kan meerdere kanten op; de ontwikkeling ligt niet lineair vast. 

Kinderen als uitgangspunt. Kinderen doen het nooit fout (behalve als ze het moedwillig wreed fout doen). Hun werk ik het startpunt voor de docent. 

Een methode is nooit af al staan op een gegeven moment mappen in de kast. Ik schreef aanvullingen; nieuwe impulsen om te inspireren. Een nog steeds groeiend aantal aanvullingen op deze website inodegroot.nl