Kort en krachtig

De drang van binnen

Stel je een kleuter aan het verfbord voor. Het kind staat er met een schort aan  met kwasten in de handen en potten met verf voor zich. De kleuter kijkt naar het witte vel. Er is concentratie. Er is focus. Het kan een seconde duren, het kan minuten duren, de eerste streep verf komt. Zeker en vast.

Het is een raadsel wat er in het hoofd afspeelt gedurende die seconde, die minuten. Als toeschouwer zie je de concentratie, het naar binnen gekeerde, het zoeken naar antwoorden.

Stoor het kind op dit moment dan ook niet. Laat het gebeuren.

Een juiste ‘opdracht’ (binnen een context) veroorzaakt het stil staan, het kijken naar het witte vel, het denken, het overwegen. Dit is te zien in die seconden, die minuten.

De flow komt later als er eenmaal begonnen is met schilderen: er is dan geen houden meer aan. Soms is een schildering na een minuut al klaar, soms duurt het er tien.

Een goede opdracht kust het denken bij het kind wakker;  kust de verbeelding wakker en roept de vraag op….wat wil ik?

Een goede opdracht dwingt het kind tot nadenken over zichzelf, over zichzelf en de wereld, over zichzelf in de wereld.

‘Doe maar’ en ‘Geniet er van’ zet een kind niet aan tot denken, met zo’n opdracht wordt er iets gemaakt dat al bekend is, dat wat al binnen de mogelijkheden ligt. Het is te vrijblijvend. Het kind maakt niet de stap van leren. Het resultaat van de schildering is ongetwijfeld ook mooi maar het brengt het kind niet verder. Het is een herhaling van zetten.

De kerndoelen zijn in deze duidelijk: kinderen moeten leren hun gevoel en denken te verbeelden.

Wij leerkrachten zullen moeten uitdagen, verleiden, aannemelijk maken. Laat het gebeuren!

Er moet een reden zijn

Het is moederdag. Cadeautjes voor moeders dus. Een uit het hoofd geleerd gedicht, een schildering dus en taart. Bij feest hoort natuurlijk taart.

De schildering is een portret van jouw eigen mama. Jouw moeder moet geschilderd worden in feesttenue. Want Moederdag is feest, dus mama in feestkleding.

Kinderen snappen deze opdracht. Ze moeten nadenken over  wat maakt mama mama en wat kleding feestelijk maakt. Dat is jezelf en de wereld onderzoeken. Want wat feestkleding is, bepaal ik in mijn hoofd. En mama… die bezie ik echt alleen maar door mijn ogen…

Kunst is subjectief, kinderkunst is subjectief….het vertelt wel heel veel verhalen. Eigen verhalen; je hoeft er alleen maar naar te luisteren  en kinderen wijzen in hun werk aan….kijk daar en daar zie je  en dat is dat  en daar… in kinderwerk zie je de kijk van kinderen op zichzelf en de wereld op dat specifieke moment.

Genieten, beleven, voelen, ervaren…

Er zijn drie kerndoelen voor de kunstvakken: Verbeelden, kennismaken met kunst en reflecteren op eigen en andermans werk. Een complete beeldende les omvat alle drie en dat is veel.

Het kerndoel ‘verbeelden’ is de moeilijkste. Jaren lang hebben we in het basisonderwijs ‘werkjes’ gemaakt; denk aan de wc rolletjes die Sinten werden. Dertig identieke Sinten was het resultaat. Denk aan kleurplaten. Er zit geen verbeelding in deze opdracht. Niets eigens.

Verbeelden wordt ook ‘tegengehouden’ door de druk van het voortgezet onderwijs op het basisonderwijs. In het voortgezet onderwijs wordt het cognitieve getraind. Daar is niets mis mee.  Leerlingen leren daar in het voortgezet onderwijs analyseren, leren verbanden zien, leren koppelingen te maken, leren te controleren, leren ea in de tijd te plaatsen...

Heel veel docenten van de Pabo zijn in deze traditie opgeleid. Zij weten niet beter en leren hun studenten dit ook te doen op de basisschool.

Het klopt echter niet.

Op de basisschool gaat het over het leren waarderen, leren genieten, leren bewonderen, leren ervaren, leren voelen, leren bewust worden, leren verhalen vertellen, leren lachen,  … Dit alles is denken op het niveau van de basisschool. Geen (beeld) analyse, voor de basisschool gaat het er om dat kinderen in het beeld kruipen, het beeld beleven. Kunst (leren) genieten gaat aan het denken vooraf.

Kunstmeester!

Kunstmeester! breekt met de jaren dat studenten op een pabo moesten leren over beeldaspecten. Kunstmeester! breekt met het idee dat studenten eerst zelf moesten kunnen tekenen om tekenlessen te kunnen geven op de basisschool. Kunst onderwijs geven is iets anders dan kunst zelf maken. Het is handig als je wat vaardig bent, het maakt het je ook moeilijk. Niet ik als kunstenaar  moet in de klas staan maar ik als leerkracht!

Een kunstenaar is niet per definitie een goede leerkracht. Voor het leerkrachtschap studeer je vier jaar!

Kunstmeester! toont mogelijkheden en zegt niet tot in het detail hoe het moet…. Kunstmeester toont kaders.

Heel veel kan; niet alles is goed. Kunstmeester! voedt het gevoel van wat wel bruikbaar is en wat niet in de basisschool; kinderen als leidraad, de ontwikkeling van kinderen als uitgangspunt. Doen wat ook in de ogen van kinderen het goede is!

Kunstmeester zet het basisschoolkind met zijn/haar tekening, kleiwerk, papier-maché werk  etc. centraal. Kunstonderwijs voor de basisschool is in de ogen van de kunstmeester! een middel om het kind te helpen zichzelf en de wereld te ontdekken. Kunstmeester! helpt de leerkracht het kind zijn roots  te ontdekken, zich te wortelen in zijn basis. Het helpt de leerkracht het authentieke van het kind te waarderen  en helpt de leerkracht dat authentieke juist naar boven te halen. Er is geen goed en fout; elk werk is een startpunt om het kind verder te helpen. Telkens de zone van de naaste ontwikkeling; dat is leren. Niet dwingend, wel uitnodigend, vaak via een omweg. Het is ook de toon die het maakt.

Om het kind zo te begeleiden is veel kennis van het (verbeeldende) vak nodig. Het ziet er zo eenvoudig uit als je mij als oude rot vanuit dit denken aan het werk ziet en het is zo moeilijk.

Kunstmeester! geeft naast theorie en achtergronden heel veel handreikingen naar de praktijk, vanuit de praktijk. Beide auteurs hebben tientallen jaren in het basis/speciaal onderwijs gewerkt. Daar hebben ze hun ideeën ontwikkeld.