Het ligt niet vast

Kinderen tekenen. Ze tonen daarbij hun denken, ervaringen en/of gevoelens ten opzicht van zowel de interne als de externe wereld. Met andere woorden: ze tonen zichzelf en ze tonen zichzelf in relatie met de wereld. Kindertekeningen vertellen zonder te willen psychologiseren iets  over het denken, voelen  en over de ervaring van kinderen en vormt voor de leerkracht de basis om daarop verder te bouwen. 

Het denken en de vaardigheden om zich uit te drukken zijn bij een kleuter natuurlijk anders dan bij kinderen uit groep 8. Kijkend naar  de werkstukken van kinderen is er een lijn te ontdekken: een ontwikkelingslijn. Een leerlijn staat niet vast. Het is zoiets als naar Rome gaan: er zijn veel verschillende wegen. Al die wegen gaan echter wel richting Rome al gaan ze met omwegen. 

Michael Parsons deed onderzoek. Parsons onderscheidt verschillende fases: de associatieve fase, de schematische fase, de prettig realistische fase, de gevoelsfase, de fase voor kunstenaars  en de fase voor hoogleraren. (Michael Parsons (1988). How We Understand Art: A Cognitive and Developmental Account of Aesthetic Experience.)

Voor de basisschool  zijn gezien de ontwikkeling van kinderen de eerste drie relevant. De gevoelsfase past bij de puber.

Michael Parsons benadrukt dat geen leeftijden gekoppeld kunnen worden aan de verschillende ontwikkelingsstadia. Of een kind in een bepaalde fase ‘zit’, is sterk afhankelijk van aanleg, opvoeding, buurt, interesse, onderwijs,…  Een kind doorloopt ook niet perse alle fases: een puber kan prima uitsluitend  schema’s tekenen, het kind staat dan op dit gebied stil. Het is natuurlijk jammer dat zo’n kind niet verder is gekomen… met goed onderwijs kan iedereen leren tekenen: dan kunnen kinderen hun gevoelens, gedachten en/of ervaringen ten opzichte van de interne  en externe wereld tonen. Tonen als middel voor het kind zelf om het te onderzoeken of als middel om te communiceren.

Kijkend naar de ontwikkeling van leerlingen op de basisschool ontdekte Michael Parsons dat er gevoelige stadia van waardering zijn voor bepaalde  kunst bij kinderen. Het ligt niet vast; je kunt dus niet spreken van in groep 1 dit  en in 2 zus  en in 3 zo.

  • Door het associatieve vermogen van kleuters kunnen kleuters ook abstracte kunst - op hun eigen niveau -  begrijpen. Kleuters kunnen door hun associatieve vermogen eigenlijk alle kunst aan.
  • Kinderen van de middenbouw waarderen abstracte kunst minder / niet meer en zijn gevoelig voor figuratieve kunst. Hoger in de middenbouw  vallen uitgebreide schema’s meer in de smaak.
  • Kinderen van de bovenbouw waarderen realistische kunst, met die kanttekening dat het prettig realisme me moet zijn.